28 maart 2010

Jonge Remonstranten in debat met Studentenvereniging Gomarus

Dinsdag 23 maart: een debat tussen 18 leden van de (vrijgemaakt) gereformeerde studentenvereniging Gomarus met 15 leden van de Jonge Remonstranten van Arminius in Leiden, de stad waar het conflict tussen Gomarus en Arminius begonnen is.

Henk Schouten, studentenpastor in Leiden, leidt de avond in met een kort historisch overzicht. Hierna zetten “Arminius” en “Gomarus” kort uiteen hoe zij staan in het debat.

Namens de Jonge Remonstranten zegt Leonie: Er zijn altijd twee kanten aan een verhaal, welke kant is minder waar? Ze geeft het voorbeeld van Luther die door katholieke gelovigen als een ketter wordt gezien, maar door protestanten als een kerkvernieuwer. De bedoeling van dit debat is om je te verdiepen in het perspectief van de ander. De huidige Arminianen streven Arminius in vrijzinnigheid voorbij, want in onze opvattingen is Arminius wat je nu orthodox zou noemen. Maar: in zijn geest gaan we uit van een positief mensbeeld en zijn we samen twijfelend aan het zoeken vanuit het inspirerende boek de bijbel. De springende mens is in staat naar de uitgestoken hand van God te springen, in die uitdrukking komt naar voren hoe we uitgaan van de eigen verantwoordelijkheid van de mens.

Namens Gomarus neemt Jelle het woord. Hij wijst er op dat we vlak bij de plaats samen zijn waar het allemaal begonnen is: de universiteit van Leiden waar Gomarus en Arminius beiden hoogleraar waren. De bedoeling van het debat is niet om de historische standpunten te herhalen, maar om het debat te voeren over wat de huidige jongeren geloven. Na afloop gaan we borrelen, als Arminius en Gomarus dat destijds vaker hadden gedaan, had dat wellicht veel ellende kunnen voorkomen. Kernpunt voor Gomarus is het verschil tussen de geopenbaarde wil van God en de verborgen wil van God. De verantwoordelijkheid van de mens ligt bij de geopenbaarde wil van God, niet bij de verborgen wil, want daar kunnen we niets over zeggen of weten.

Na deze inleidingen begon het debat over vijf stellingen:

  1. Het geloof is geen gave van God, maar een keuze van mensen.
  2. God is auteur van goed én kwaad.
  3. Als de mens al voor de schepping heeft uitverkoren, kan men de mens zijn handelen niet meer aanrekenen. Hiermee ontneem je de mens zijn verantwoordelijkheid.

Voor de pauze gaat het over deze drie stellingen. Hieronder de weergave van opmerkingen van uit de hoek van “Arminius” en vanuit de hoek van “Gomarus”. Er zijn verschillende sprekers, maar voor de duidelijkheid worden hun namen niet afzonderlijk genoemd.

Arminius: de mogelijkheid om te geloven is een gave, maar het daadwerkelijk gaan geloven is de keuze van de mens. Het is niet zo dat God het al dan niet geloven voor mensen bepaalt heeft, want dan valt niet te rijmen met het gegeven dat God rechtvaardig is.

Gomarus: wij bepalen niet of God rechtvaardig is of niet, God staat daar boven, hij is ondoorgrondelijk.

Arminius: dit is een vlucht in “dit kunnen we niet weten”, en dan zijn we gauw uitgepraat.

Gomarus: nee, geen vlucht, maar bescheidenheid. Anders zou je je boven God stellen.

Arminius: wij gebruiken de rede (die we van God gekregen hebben) om God te leren kennen. Denk aan het verhaal van Abraham die voor de ondergang van Sodom en Gomorra met God onderhandelde om de stad te sparen.

Gomarus: er gebeuren dingen – ook in de bijbel – zonder dat de mens kan begrijpen waar het goed voor is. Je moet niet alles willen begrijpen met je verstand.

Hierna werden enkele vragen opgeroepen over goed en kwaad, waar van beide zijden twijfels waren over het antwoord: Is het kwaad met de schepping gegeven? Wie heeft Satan geschapen? Hoe verhouden zich de erfzonde en de vrije wil tot elkaar? Zit het goede en kwade in elk mens of is er sprake van een tegenmacht (satan, duivel)?

Het verschil tussen het kwade dat mensen aanrichten en kwaad dat ongericht door bijvoorbeeld de natuur wordt aangericht is belangrijk om te noemen. De aardbeving in Haïti komt ter sprake: is hier sprake van een tegenmacht?

Gomarus: God komt alle eer toe, het is moeilijk aan te nemen dat er iets gebeurt buiten God om. Als het een straf van God is, is dat niet een straf voor de slachtoffers die daar wonen, maar kan het gezien worden als een straf voor de “mensheid” die dat over zich heen heeft gehaald.

Arminius: wat pas erg zou zijn, is dat het een kwade macht is die ons dergelijke dingen toebedeelt. Als het van God komt, is het beter te verdragen, want God heeft het goede met ons voor, dan zal het wel een reden hebben.

Gomarus: de duivel gaat zijn eigen gang, maar wel binnen het framework dat God geeft.

Arminius: wat vind je van de (filosofische) opvatting dat er niet iets is als goeds en kwaads, maar dat je het moet zien als een kenniskwestie. De dingen zijn zoals ze moeten zijn, alleen mensen benoemen zaken als goed of kwaad.

Na de pauze zijn twee andere stellingen besproken:

  1. Een belijdenis moet een baken zijn voor de gelovigen van alle tijden en dat werkt niet als hij aan verandering onderhevig is (standpunt Gomarus).
  2. Menselijke teksten zoals geloofsbelijdenissen zijn altijd tijdgebonden en kunnen dus herzien worden (standpunt Arminius).

Arminius: het lijkt er op dat de status van de geloofsbelijdenissen (de leerregels van Dordrecht) dezelfde status hebben als de bijbel, maar dat is vreemd. De predestinatieleer is bedacht door Calvijn, dat is toch eeuwen na het ontstaan van de bijbel. En waarom kon die menselijke tekst wel onveranderlijk worden, en mag er nu geen nieuwe tekst meer geschreven worden.

Gomarus: de basis moet natuurlijk de bijbel zijn, niet de geloofsbelijdenis. De apostolische geloofsbelijdenis is bijbels gefundeerd en wordt in de hele wereld beleden. Je visie kan veranderen, maar het is fijn dat je terug kunt grijpen op de oude belijdenisteksten.

Arminius: in de remonstrantse kerk is een belijdenis geschreven in de 17e eeuw. Maar in 1940 werd een nieuwe formulering geschreven en onlangs, in 2006 is er een nieuwe belijdenis geschreven. Maar als je lid wordt van de remonstrantse kerk, schrijf je een eigen belijdenis. Dat is een heel proces: een jaar of langer ben je onder leiding van een predikant bezig met het doordenken wat voor jou geloven betekent, wie God de vader, Jezus de zoon en hun Heilige geest voor jou zijn. En: wat je ziet als jouw taak in de wereld.

Gomarus: wat is dan de betekenis van een kerkelijke gemeente voor jullie, als je gaan vaste basis hebt, een gezamenlijke geloofsbelijdenis?

Arminius: je ondertekent de beginselverklaring. “De Remonstrantse Broederschap is een geloofsgemeenschap die, geworteld in het evangelie van Jezus Christus en getrouw aan haar beginsel van vrijheid en verdraagzaamheid, God wil eren en dienen.”

Gomarus: dat is heel ruim geformuleerd.

Arminius: de manier waarop je gelooft kan veranderen als je ouder wordt door wat je mee maakt en leert. In de kerk zoeken we samen (predikant en gemeente) naar antwoorden op vragen. Er worden altijd meer visies gegeven en de preek is vaak beschouwend.

Om 22 uur gaat het gebouw dicht en moeten we het pand verlaten. Er wordt onder het genot van een borrel druk nagepraat in het gebouw van de Leidse Studenten Ekklesia op Rapenburg 100. De discussies over de vraag of de mens goed is of geneigd tot alle kwaad en de vraag naar de manier waarop er belijdenis wordt gedaan in beide kerken worden nog eens breed besproken.

Gerelateerd